Marie Rosamunde Henriette Stoppelman (Amsterdam, 22 mei 1914 – 21 december 1994) was een Nederlands hoogleraar van Joodse afkomst. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte zij noodgedwongen voor kamparts Josef Mengele in Auschwitz.
Marie Stoppelman studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam en vestigde zich daarna als huisarts. Nadat de bezetter een behandelverbod uitvaardigde voor Joodse artsen, werkte zij enige tijd in het Portugees-Israëlietisch Ziekenhuis. Vanaf september 1942 werkte zij weer als huisarts, vanuit haar ouderlijk huis aan de De Lairessestraat in Amsterdam, maar eind dat jaar besloot het gezin onder te duiken. Marie en haar broer Theodoor kwamen terecht op de boerderij Wolfswaard in Wageningen bij Eltien en Neeltje Krijthe, die in de bovenwoning woonden. Op de begane grond woonden Zwaantje Bosman en haar zoon Jan van Roekel. Als er gevaar dreigde, werden de Stoppelmans ondergebracht bij de ouders van de zussen in Bennekom.
De Wolfswaard functioneerde als hoofdkwartier van een verzetsgroep onder leiding van Jan van Roekel. In mei 1944 arresteerde de Sicherheitsdienst drie Wageningers die radio-onderdelen bij zich hadden. Een van hen was betrokken bij een geheime zender op de Wolfswaard. Daarop werd de boerderij op 20 mei 1944 overvallen. De zussen Krijthe en de Stoppelmans werden gearresteerd en naar het Huis van Bewaring in Arnhem overgebracht. Eltien en Neeltje Krijthe werden via Kamp Vught naar Ravensbrück gedeporteerd, waar Eltien Krijthe op 4 maart 1945 overleed. Theodoor en Marie Stoppelman werden overgebracht naar Kamp Westerbork en eind juni via het Oranjehotel naar Auschwitz gedeporteerd.
Marie Stoppelman werd aangesteld als chef van het laboratorium in de ziekenboeg van het vrouwenkamp in Auschwitz-Birkenau. Hier moest ze Josef Mengele assisteren bij zijn experimenten op gevangenen. Zelf liep zij tbc op en toen Auschwitz half januari door de Duitsers werd geëvacueerd, bleef zij achter. Bij de bevrijding door het Rode Leger op 27 januari 1945 was ze ernstig verzwakt en doodziek. Nadat ze in een Pools ziekenhuis op krachten was gekomen, reisde ze in juli terug naar Nederland. Daar hoorde zij dat haar ouders de oorlog op hun onderduikadres hadden overleefd, maar dat haar broer Theo in Groß-Rosen ziek was achtergelaten.
Na haar thuiskomst schreef zij het boek Tussen leven en dood in Auschwitz over haar oorlogservaringen. Tegenover Poolse, Nederlandse en Duitse rechters en advocaten legde ze tot in 1973 uitgebreide verklaringen af over haar tijd in Auschwitz, onder meer in het proces tegen kampcommandant Rudolf Höss.

Kinderarts Marie Stoppelman moest in Auschwitz de beruchte SS-arts Josef Mengele assisteren
Bronnen